Leendert Jonker,
laatstlevende van een groep van 15 mariniers
welke als boordschutters dienden bij het
Dutch 320 squadron RAF

 

Startpagina
 


 

In Dronten komen morgen zo’n 85 boordschutters bij elkaar voor de herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Het is voor de 29ste keer dat daar Britse veteranen kransen leggen bij het vliegersmonument. Onder hen zeven Nederlandse ‘airgunners’. Dat zijn er drie meer dan vorig jaar. Het gevolg van de hernieuwde aandacht voor deze oud-strijders, die een heel eigen bijdrage geleverd hebben aan de bevrijding. Dat is onder andere te danken aan de Eemnesser Everard Bakker (38) die in de geschiedenis van de 86-jarige Leendert Jonker dook en daar een boek over hoopt te publiceren.

Gooi en Eemlander van 3 Mei 2003.

door Jos Haagmans

Eemnes - Everard Bakker praat vanachter zijn laptop in de huiskamer van zijn woning in de nieuwe Zuidbuurt van Eemnes. Op het scherm aantekeningen en gedachten-steuntjes. ,,Het moet chronologisch en duidelijk overkomen”, zegt hij.

Hij verhaalt over Leendert Jonker, de laatstlevende uit een groep van vijftien Nederlandse mariniers, die in de Tweede Wereldoorlog als boordschutters bij het 320 squadron van de Nederlandse Marine Luchtvaart Dienst meevochten met de Britse Royal Air Force, de R.A.F. Bakker maakte per toeval kennis met de nu 86-jarige veteraan. Leendert Jonker is één van de negen Nederlandse mariniers airgunners van die groep (deze kregen maar liefst 8 vliegerkruizen) die de oorlog hebben overleefd. Als door een godswonder. Jonker raakte levensgevaarlijk gewond bij een aanval door het squadron op een Duits vliegveld bij de Franse havenplaats Brest op 25 oktober 1943.

Bakker leerde ‘Mijnheer Jonker’ kennen via diens neef, adjudant Jonker, zijn collega bij het Opleidings Centrum Logistiek in de Kolonel Palmkazerne in Bussum. De Eemnesser is daar als burger werkzaam. ,,Alweer twee jaar geleden, bij een kopje koffie vertelde ik dat ik een presentatie had gegeven over de slag om Arnhem in het Airborne Museum. Hij vroeg toen of ik eens met zijn oom wilde praten. ,,Iedere veteraan heeft zo zijn eigen verhaal’. Dus ik ging daar in eerste instantie niet op in”.

Een paar dagen later kreeg hij echter een brief van Leendert Jonker zelf, die zijn levensloop beschreef. Bakker raakte onder de indruk en zocht hem op in het Koninklijk Tehuis voor Oud Militairen Bronbeek, waar hij woont.

,,Daar bleek dat Mijnheer Jonker, ondanks zijn hoge leeftijd, over een zeer scherp geheugen beschikt.

 Hij vertelde zijn verhaal in detail, alsof het gisteren had plaatsgevonden. Ik raakte geboeid. Er volgden meerdere gesprekken, waarbij ik me telkens weer verbaasde over de vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn wonderlijke belevenissen aan me kwijt wilde”.

Omdat Bakker zich aanvankelijk niet kon voorstellen dat Jonker het allemaal in werkelijkheid had meegemaakt, stak hij veel tijd in het onderzoeken en controleren van de feiten. Alles bleek te kloppen volgens archiefmateriaal en getuigen. ,,Ik kreeg geschiedenisles van iemand die er lijfelijk aan had bijgedragen. Hij was erbij geweest”.

ZWARE DIENSTEN

Terug naar de chronologie, zegt hij weer vanachter zijn laptop. Terug naar het verhaal over Leendert Jonker. Dat begint bij diens opleiding tot marinier in Rotterdam, in 1936. ,,Ze werden fysiek en mentaal zeer goed opgeleid. Hij kwam uit een Zeeuwse tuinderfamilie. Maar door de crisisjaren was daar niet veel werk in te vinden”. Hij meldde zich aan bij het Kops Mariniers en werd gestationeerd op Curaçao. Hier begon de oorlogsdreiging merkbaar te worden. ,,Hij moest er in 1939 olieraffinaderijen bewaken. In september 1939 hadden Frankrijk en Engeland de oorlog verklaard aan Duitsland. Zestien Duitse koopvaardijschepen hadden zich teruggetrokken in de toen nog neutrale haven van Curaçao. Elk schip werd bewaakt door twee mariniers, die postvatten bij de ankers, om te voorkomen dat ze zouden uitvaren. Het waren zware diensten voor het kleine detachement. Mijnheer Jonker, een grote goed afgetrainde marinier viel 25 kilo af en woog nog naar 60 kilo.” De mariniers kregen ondersteuning van de lokale bevolking.

In november 1940 werd vanuit Engeland een oproep gedaan om zich vrijwillig aan te melden bij de Marine Luchtvaart Dienst. ,,Mijnheer Jonker wilde zijn steentje bijdragen en vertrok met een groep van vijftig mariniers naar Cardiff: een gevaarlijke reis tussen de wrakstukken door van schepen die door Duitse U-boten tot zinken waren gebracht. Vandaar ging het per nachttrein naar Holyhead waar een kolonie Nederlanders verbleef”, aldus Bakker.

 

KOEPELTJE

Vijftien mariniers werden geselecteerd voor de opleiding tot boordschutter en kregen hun brevet. Onder hen Leendert Jonker. ,,Mijnheer Jonker werd gevraagd militaire training te geven aan Nederlandse vissers, die daar ondergebracht waren. Die waren na een oproep van de Nederlandse regering uit kustplaatsen als Katwijk, Scheveningen, Noordwijk, Maassluis en IJmuiden met hun trawlers overgestoken. Er waren ook vissersmensen die tijdens het vissen spontaan hun steven richting Engeland hadden gewend. Hij marcheerde met hen over de boulevard van Holyhead. De vissers werden met hun boten ingezet aan de westkust van het Verenigd Koninkrijk, en hebben daar belangrijk werk verricht door de konvooiroutes – de levensaders - vrij te houden van mijnen”.

 Maar Jonker kreeg al snel opdracht om zich als boordschutter te melden in het Schotse Leuchars, waar het 320 squadron van de Marine Luchtvaart Dienst toen haar basis had. In het begin werd er gevlogen met Hudsons, een omgebouwd passagiersvliegtuig van Lockheed, dat vooral werd ingezet bij de kustbewaking en het opsporen en vernietigen van vijandelijke schepen langs de kusten van Nederland, Noorwegen en de Duitse bocht. Vijf dagen later, op 30 augustus 1941, sneuvelde Jonkers eerste vriend, een van de vijftien Nederlandse boordschutters afkomstig van het Korps Mariniers. ,,De boordschutters waren niet te benijden”, aldus Bakker. ,,Zij moesten het toestel beschermen tegen aanvallen van de Duitse jagers”. Hij schetst met veel inlevingsgevoel hun penibele omstandigheden. ,,Ze zaten in een nauw koepeltje van plexiglas, bovenop de rug van het vliegtuig. De vluchten duurden zo`n vijf, zes uur. Probeer je eens voor te stellen hoe dat geweest moest zijn. De motoren konden uitvallen, het kon plotseling slecht weer worden, er konden navigatieproblemen ontstaan. Ze zaten daar in een torentje, dat erg koud was door de enorme tochtstromen. Ze kwamen steeds totaal uitgeput terug. Ondanks de eentonigheid moesten ze voortdurend alert blijven omdat ze elk moment onder vuur genomen konden worden door de veel snellere Duitse nachtjagers. Als dat gebeurde moesten ze allereerst tijdig aanwijzingen geven voor uitwijkmanoeuvres aan de piloot”.

De nachtelijke aanvallen van de Hudsons waren gericht op Duitse boten. ,,Hun konvooien werden beschermd door schepen met luchtafweergeschut. Om een effectieve aanval te kunnen uitvoeren vielen de Hudsons in het begin van de oorlog aan op masthoogte, waardoor er bij het 320 squadron grote verliezen te betreuren waren”.

ENORME KLAP
Jonker had aardig wat missies achter de rug toen ‘die ene, bijna fatale’ kwam: het bombardement op het Duitse vliegveld bij Brest, op 25 oktober 1943.

,,Mijnheer Jonker vloog toen in een Mitchell, een vliegtuig dat moderner en sneller was. De aanval had te maken met de voorbereidingen voor D-day, de landing in Normandië. Het toestel van de formatieleider en tevens commandant van het 320 squadron, Eduard Bakker, kreeg een voltreffer in zijn brandstoftank en explodeerde. De vleugels klapten dubbel naar boven en de kist viel brandend naar beneden. De bemanning was kansloos. Een ander toestel werd meegenomen en stortte in zee. Er kwamen bij deze aanval in totaal vijf bemanningsleden om. Mijnheer Jonker zelf werd door granaatscherven getroffen, vanaf zijn nek tot zijn billen. Zijn ellebooggewricht werd weggeschoten, zodat zijn onderarm aan een velletje aan zijn lichaam bleef bungelen”, aldus Bakker.

Ondanks de enorme klap die het toestel te verduren kreeg, heeft men in de cockpit het toestel op zeer heldhaftige wijze toch uit de ‘vrille’ (een neerwaartse spiraal, red.) weten te krijgen. Met aan boord een zwaargewonde en hevig bloedende Leendert Jonker vloog men terug naar Engeland.

,,Hij moet veel pijn hebben geleden. Het lukte niet om hem een spuit morfine te geven. Maar hij bleef rustig en zei voortdurend via de boordradio dat ze zich geen zorgen over hem hoefden te maken. Terwijl hij de slagader van zijn arm dichtdrukte gaf hij nog de nodige instructies aan de bemanning”.

 De piloot maakte een zeer knappe noodlanding ‘op velgen’ op het vliegveld van het Engelse Exeter. ,,Toen bleek dat het toestel zwaar verwrongen was, zodat het heel moeilijk was om de zwaargewonde Jonker er uit te krijgen. De chirurgen wilden zijn arm amputeren maar hij smeekte dat niet te doen. De enige mogelijkheid om zijn arm te behouden was een nog nooit eerder uitgevoerde operatie. Jonker had het geluk dat er professoren naar Zuid-Engeland waren overgekomen omdat D-day aanstaande was. Daardoor slaagde het medische experiment”.

Van de drie aanwezige zenuwen in de arm waren er nog twee intact, zodat maanden later ook de armfuncties weer hersteld konden worden. ,,Een Canadese professor heeft die zenuwoperatie, enige weken voor D-day - op 20 mei 1944 - uitgevoerd, met als resultaat dat Mijnheer Jonker zijn arm weer goed kon bewegen”.

 Bakker vond ook dit aspect fascinerend en nam – weer in het kader van zijn onderzoek - contact op met een kolonel-chirurg in het Nijmeegse Radboudziekenhuis. Die bevestigde dat het inderdaad een medisch succesverhaal is. Leendert Jonker werd van de weeromstuit uitgenodigd voor een medisch congres in Nijmegen, waar men die operatie als case wilde gebruiken.

HOOG BEZOEK

Terug naar de chronologie. Naar de jaren veertig van de vorige eeuw. ,,Mijnheer Jonker kreeg tijdens zijn verblijf in Engelse ziekenhuizen hoog bezoek, onder ander van het complete Britse Koningshuis, inclusief de dochters Margaret en Elisabeth, de huidige koningin. En ook van Churchill aan wie hij werd voorgesteld als een van de dapperste soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog en die hem twee grote Cubaanse sigaren gaf”. Leendert Jonker, die tot aan zijn pensioen in dienst bleef van de marine, keerde in 1947 terug naar Nederland, nadat hij gezinnen die in 1940 naar Engeland waren overgestoken had geholpen ook ‘terug’ te verhuizen.

Het verhaal over deze veteraan is daarmee nog niet afgelopen. ,,Zijn arm blijft nog dagelijks opspelen. Die doet vooral bij wisselende weersomstandigheden vreselijk veel pijn. Hij gebruikt dan pijnstillers om te kunnen slapen”, aldus Bakker.

Ook voor Everard Bakker zelf is het verhaal nog niet uit. Hij wil een boek publiceren over de belevenissen van Jonker, waarvoor hij sponsors en een uitgever zoekt. ,,Alles wat hij vertelde bleek juist te zijn. Met zijn verhaal geeft hij een uniek inzicht in de Nederlandse krijgsgeschiedenis”, vindt hij. Daarnaast beschouwt hij het verhaal als eerbetoon aan het groepje Nederlandse boordschutters. ,,In het volle besef dat iedere vlucht de laatste kon zijn, stapten ze iedere keer weer in hun toestel. Deze mensen verdienen veel respect”, aldus Bakker.

Bakker is op zoek naar een sponsor voor een publicatie.
Voor meer info. Mail; litho320
dotveteranen.nl


Een veteraan, door Prof. Dr. B. Smalhout.


Leendert Jonker overleed in 2005 op 89 jarige leeftijd.

foto's: fam Jonker

Startpagina                     naar boven